De Wet werkelijk rendement box 3 is aangenomen door de Tweede Kamer en beoogt per 1 januari 2028 in te gaan. Maar wat verandert er precies, waarom is de kritiek zo massaal en wat kunt u nu al doen?
Stel: uw beleggingsportefeuille stijgt dit jaar in waarde met €10.000, maar u heeft niets verkocht, het geld staat nog op papier en tóch ontvangt u een belastingaanslag over die €10.000.
Precies dat is wat de nieuwe Wet werkelijk rendement box 3 betekent voor veel Nederlanders en de reden waarom de kritiek zo breed is, van beleggers en fiscalisten tot de Raad van State.
De wet is op 12 februari 2026 aangenomen door de Tweede Kamer en ligt nu bij de Eerste Kamer. De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2028, maar het is nog lang niet zeker wat er uiteindelijk in de wet komt te staan; de minister heeft al aanpassingen aangekondigd. In dit artikel leggen we, stap voor stap, uit wat er verandert, wat de bezwaren zijn en wat u er nu al mee kunt.
Hoe werkt box 3 nu? Het overbruggingsstelsel uitgelegd
Box 3 is het deel van uw inkomstenbelasting over inkomen uit sparen en beleggen: denk aan spaargeld, aandelen, een tweede woning of verhuurd vastgoed. U betaalt belasting zodra uw vermogen boven de vrijstelling uitkomt.
Tot 2021 werkte dat met een fictief rendement: de Belastingdienst ging er simpelweg van uit dat u een bepaald percentage verdiende, ongeacht de werkelijkheid. In het Kerstarrest van 2021 verklaarde de Hoge Raad dit systeem onrechtmatig: het maakte inbreuk op het eigendomsrecht en het discriminatieverbod.
Sindsdien geldt een overbruggingsstelsel met een forfaitair rendement dat dichter bij de werkelijkheid moet liggen en met een tegenbewijsregeling als uw werkelijke rendement lager was.
In 2025 en 2026 bedraagt het belastingtarief in box 3 36%. Het heffingsvrij vermogen in 2026 is €57.684 per persoon (fiscale partners: €115.368). Over het vermogen bóven die grens betaalt u belasting.
Wilt u de exacte percentages en rekenvoorbeelden bekijken? De Belastingdienst legt het stap voor stap uit.
Wat verandert er vanaf 2028? Twee systemen naast elkaar
Het nieuwe stelsel stapt af van forfaitaire rendementen en gaat over op werkelijk behaald rendement. Op papier klinkt dat eerlijk, in de uitvoering zit echter de crux. Er komen twee systemen naast elkaar:
1. Vermogensaanwasbelasting: de hoofdregel
Voor de meeste bezittingen (aandelen, obligaties, spaargeld) geldt de vermogensaanwasbelasting. Dat betekent: elk jaar 36% belasting over het werkelijke rendement, inclusief waardestijgingen die u nog niet heeft verzilverd. Per persoon geldt een jaarlijkse winstvrijstelling van €1.800. Alles daarboven wordt belast.
2. Vermogenswinstbelasting: de uitzondering
Voor onroerend goed (tweede woning, verhuurd pand) en aandelen in start-ups en scale-ups geldt een andere regel: de vermogenswinstbelasting. Hier betaalt u pas belasting op het moment van verkoop, dus geen aanslag over winst die nog op papier staat.
Het verschil tussen die twee systemen is groot. De tabel hieronder maakt het in één oogopslag duidelijk:
| Vermogensaanwasbelasting | Vermogenswinstbelasting | |
| Wanneer belasting? | Elk jaar, ook bij papieren winst | Alleen bij verkoop |
| Wat telt mee? | Waardestijging + dividenden/rente | Alleen gerealiseerde winst + inkomsten |
| Liquiditeitsrisico? | Ja, u krijgt een aanslag terwijl het geld vastzit | Nee, u betaalt pas bij verkoop |
| Geldt voor? | Aandelen, obligaties, spaargeld | Onroerend goed, start-up aandelen |
Wat betekent dat verschil in de praktijk?
Om te begrijpen waarom de reacties zo fel zijn, helpt het om de twee stelsels naast elkaar te zetten. Het gaat namelijk niet alleen om een hoger tarief, het gaat om een fundamenteel andere manier van berekenen.
Het oude stelsel werkte niet over uw werkelijke winst, maar over uw totale vermogen op 1 januari. De Belastingdienst ging ervan uit dat u een fictief rendement van ongeveer 4% behaalde, ongeacht wat er dat jaar werkelijk gebeurde. Over dat fictieve rendement betaalde u 30% belasting.
Stel: u heeft een beleggingsportefeuille van €200.000 op 1 januari.
Oud stelsel (vóór 2021) €200.000 × ~4% fictief rendement × 30% belasting = €2.400
U wist vooraf precies waar u aan toe was, ongeacht hoe goed of slecht uw beleggingen het dat jaar deden.
Nieuw stelsel vanaf 2028 De Belastingdienst kijkt naar het verschil tussen uw portefeuille op 1 januari en op 31 december. Dat verschil is de belastbare waardestijging. Banken en brokers zijn verplicht beide saldi door te geven.
Stel: uw portefeuille staat op 1 januari op €200.000 en op 31 december op €260.000. De waardestijging bedraagt dan €60.000 en deze wordt belast tegen 36% belasting = €21.600
Dat is negen keer zoveel als onder het oude stelsel, over hetzelfde vermogen, in hetzelfde jaar.
Én het cruciale punt: u heeft die €60.000 niet in handen, de waarde staat op papier. Als uw portefeuille in januari daarna weer daalt, blijft de aanslag over het vorige jaar gewoon staan. U betaalt belasting over winst die inmiddels verdampt kan zijn.
De drie fundamentele bezwaren
De kritiek op de nieuwe wet is breed en komt van alle kanten: van beleggers en ondernemers tot fiscalisten en zelfs de Raad van State, die een negatief advies gaf. Drie bezwaren springen eruit.
1. De liquiditeitsval: een belastingaanslag over geld dat u niet heeft
De belasting wordt berekend over een waardestijging die nog op papier staat. Dat betekent dat u mogelijk een deel van uw beleggingen moet verkopen om de aanslag te betalen, ook als dat nooit uw bedoeling was. Bij vermogen dat vastzit in minder makkelijk verkoopbare bezittingen, zoals vastgoed of aandelen in een familiebedrijf, kan dat een reëel probleem worden.
Daalt uw portefeuille het jaar erna weer? Dan heeft u belasting betaald over een winst die er niet meer is. Die belasting krijgt u niet direct terug, want er is geen achterwaartse verliesverrekening. U moet eerst in een volgend jaar opnieuw winst maken voordat u het verlies kunt verrekenen.
2. Belasting over rendement dat in werkelijkheid niet bestaat
Stel: de inflatie bedraagt in een jaar 5% en uw beleggingen stijgen ook met 5%. Uw koopkracht is gelijk gebleven: u bent er in reële zin niet op vooruitgegaan. De Belastingdienst ziet echter een rendement van 5% en stuurt een aanslag. Na de belasting staat u er slechter voor dan aan het begin van het jaar.
De nieuwe wet houdt geen rekening met inflatie. Dat betekent dat u belasting kunt betalen over rendement dat in reële zin nooit heeft bestaan.
3. Internationaal gezien nergens anders zo geregeld
Nederland zou met de vermogensaanwasbelasting het enige land ter wereld worden dat jaarlijks belasting heft op ongerealiseerde waardestijgingen. Landen met hoge vermogenswinstbelastingen, zoals Japan, Denemarken, Noorwegen en Frankrijk, belasten uitsluitend gerealiseerde winsten, geen papieren winst.
Critici waarschuwen dan ook voor kapitaalvlucht: vermogende Nederlanders en investeerders die hun vermogen naar het buitenland verplaatsen, of simpelweg stoppen met beleggen in Nederland.
Wat is nu de stand van zaken?
Het politieke proces rondom deze wet is verre van rechttoe rechtaan. De wet heeft jaren in de maak gezeten, is fundamenteel herzien na het Kerstarrest en staat nu opnieuw ter discussie.
De wet ligt nu bij de Eerste Kamer en het is allesbehalve zeker dat die de wet in de huidige vorm aanneemt. Minister van Financiën Eelco Heinen heeft aangegeven het wetsvoorstel te willen aanpassen, en staatssecretaris Eelco Eerenberg heeft in een Kamerbrief van 6 maart 2026 bevestigd dat het kabinet inderdaad aanpassingen overweegt. Welke dat precies worden, is op het moment van schrijven nog niet bekend en wordt waarschijnlijk pas duidelijk op Prinsjesdag 2026.
Wat betekent dit voor u? Drie groepen die extra aandacht nodig hebben
Niet iedereen merkt evenveel van de nieuwe box 3-regels. Ruwweg drie groepen lopen het meeste risico op een hogere belastingdruk:
- Beleggers met een portefeuille boven de vrijstelling (€57.684 per persoon). Zij kunnen jaarlijks een aanslag krijgen over papieren waardestijgingen, ook zonder dat ze één aandeel verkopen.
- Verhuurders van een tweede woning of beleggingspand. Voor onroerend goed geldt de vermogenswinstbelasting, maar huurinkomsten en de WOZ-waardeontwikkeling tellen wél mee in het werkelijk rendement.
- Particulieren met spaargeld en beleggingen boven de vrijstelling. Zij kunnen te maken krijgen met een significant hogere belastingdruk dan nu het geval is.
Wat kunt u nu al doen?
Overhaaste beslissingen zijn af te raden: de wet kan nog flink veranderen, maar dit zijn drie verstandige stappen om nu al te zetten:
- Breng uw vermogenssituatie in kaart. Wat valt er in box 3 en hoe is dat verdeeld over spaargeld, beleggingen en eventueel vastgoed?
- Houd de ontwikkelingen in de Eerste Kamer actief in de gaten. De wet kan significant veranderen vóór aanname, of zelfs worden uitgesteld.
- Bespreek uw situatie met een belastingadviseur. Zeker bij een gemengde portefeuille of vastgoed is het verstandig om vooruit te kijken en scenario’s door te rekenen.
Heeft u vragen over wat de nieuwe box 3-regels betekenen voor uw situatie? Wij denken graag met u mee. Neem contact op voor een vrijblijvend gesprek.
Bronnen
Dit artikel is gebaseerd op openbare informatie van de volgende bronnen: